Stille twijfels over een zware missie

Bouwen ‘onze jongens’ in Uruzgan het land met succes op, of doet de Nederlandse missie in Afghanistan er meer kwaad dan goed? Je kunt er op duizend manieren tegenaan kijken, bleek gisteravond op de Leeuwarder vliegbasis.

Door Rob Leemhuis

LEEUWARDEN – ,,Misschien moeten we wel naar Darfur toe? Er zijn plekken waar meer geweld is dan in Afghanistan.” Oud-basiscommandant Ben Ruijs kon geen beter argument verzinnen tegen de NAVO-missie in Afghanistan. Het Leeuwarder SP-raadslid Farshad Bashir vond juist dat Nederland geen eiland is. ,,We hebben behoefte aan internationale solidariteit.”

De twee speelden even advocaat van de duivel, want volgens Ruijs kan de wederopbouw van Afghanistan niet zonder militaire steun. Bashir, een Afghaan van geboorte die met zijn ouders op achtjarige leeftijd zijn land ontvluchtte, vindt juist dat de buitenlandse aanwezigheid meer geweld in de hand werkt. ,,Ook al doen we het nog zo goed. Kijk maar naar het aantal zelfmoordaanslagen. In 2004 was het er één, een jaar later waren het er vijftig, vorig jaar 250.”

Wie voor duidelijkheid kwam over de Nederlandse missie in Uruzgan, keerde gisteravond teleurgesteld van de Leeuwarder vliegbasis weer naar huis. Alleen de professionaliteit en de toewijding van de militairen stond als een paal boven water. Verder was het avondvullende marathoninterview, georganiseerd door Centrum Tûmba, een vat vol tegenstrijdige nuances, feiten en emoties.

Zo vond Sebastiaan Messerschmidt, die als diplomatiek adviseur van Defensie een half jaar in Uruzgan zat, het aanzwellende geweld van de afgelopen maanden juist te verwachten. ,,De NAVO is veel actiever in Zuid-Afghanistan. Maar die achteruitgang hoeft niet duurzaam te zijn.” Het opzetten van een werkend bestuur, de wederopbouw, veiligheid, het zijn zaken van een heel lange adem en daar is al veel succes te melden. ,,Ons past bescheidenheid en geduld.”

Daar viel weer tegenin te brengen dat het leger soms wederopbouwwerk in de weg kan zitten. Hulporganisaties worden regelmatig als verlengstuk beschouwd van de ‘vijand’. En om de voortgaande oorlog te financieren hebben zowel de Taliban als regeringsmilities de heroi¨neproductie tot een duizelingwekkend record opgestuwd. Die heroi ¨ne gaat, juist, deels naar Europa. ,,Wij sponsoren dus onze vijandn”, was de wrange conclusie van interviewer Frénk van der Linden.

Ouders van uitgezonden militairen zitten in een veel pijnlijkere tweestrijd. Ze gloeien van trots over de professionaliteit van hun kinderen, maar zien ze met lede ogen vertrekken. Sietse en Tietie Wijbenga uit Gytsjerk hadden in juli één week lang maar liefst drie zoons in Uruzgan zitten: Paul, Hessel en Jacob, van wie de laatste nu terug is. ,,Als je op de radio hoort dat er weer een militair is overleden, maakt je hart wel een roffel”, zei Titie Wijbenga.

Ondanks de zenuwen steunen ze hun zoons in alles. ,,We proberen een krachtig thuisfront te vormen.” Voor Sietse Wijbenga reden om ook door te gaan met de missie. ,,Als we weggaan, doen we veel Afghanen tekort.” Niet iedere ouder die in de zaal was, kon het met hem eens zijn. ,,De opbouw waarvoor we daar zijn, is maar een druppel op de gloeiende plaat”, vreesde een vader. Niet dat hij dat gevoel ooit met zijn zoon zou delen. ,,Hij staat er achter, hij heeft getekend en ik steun hem volledig. Maar als ouder baart het je zorgen.”

Bron: Leeuwarder Courant, 28 september 2007