Somber beeld van ‘vredesmissie’ in Afghanistan

GOOS BIES

Leeuwarden – Hulp- en ontwikkelingsorganisaties die de Afghaanse bevolking niet langer kunnen helpen als gevolg van gevechten tussen buitenlandse troepen en talibanstrijders of drugslords. Een historische recordproductie aan opium (de grondstof van heroïne), waarmee beide strijdende partijen gevechten financieren. En een eigen politie en leger die maar niet van de grond komen.

Dat sombere beeld kwam gisteravond op Vliegbasis Leeuwarden naar voren tijdens een marathoninterview over de missie in Afghanistan, onder leiding van de gerenommeerde interviewer Frenk van der Linden. De avond met tal van betrokkenen was georganiseerd door antidiscriminatiebureau Tûmba met als doel begrip te kweken onder voor- en tegenstanders voor elkaars standpunten.

Positieve resultaten van de missie in Afghanistan moesten onder een vergrootglas worden gezocht. Diplomaat S. Messerschmidt van Buitenlandse Zaken gaf aan dat er eerst stappen achteruit gezet moeten worden, voor er een vooruit gemaakt kan worden. ,,Ons past bescheidenheid en geduld. Deze missie vergt een héél lange adem.”

Zelfs Ben Ruijs, oud-commandant van de Vliegbasis en tot begin juni als commandant Air Task Force in Uruzgan aanwezig, gaf in al zijn eerlijkheid aan dat er misschien wel andere prioriteiten zijn. Toen Van der Linden hem vroeg zich te verplaatsen in een tegenstander van de missie en met een tegenargument te komen, antwoordde hij bezweet maar oprecht: ,,Voor zo’n vraag was ik al bang. Tja, er zijn meer probleemgebieden op deze wereld. Afghanistan is één, Darfur is een ander. Als je kijkt naar het aantal slachtoffers, dan is het probleem in Darfur misschien wel groter.”

Het meest sombere beeld schetste misschien wel Geert Leerink, senior manager van HealthNet TPO, de grootste Nederlandse ontwikkelingsorganisatie in Afghanistan. HealthNet is sinds 1993 actief in Afghanistan. Eerst met een programma tegen malaria, later ook met basisgezondheidszorg en geestelijke zorg. Tot 2005, 2006 was er steeds sprake van een opgaande lijn in de hulpverlening, stelde hij. Zo is het team van experts, die een kleine tweeduizend Afghanen in de gezondheidszorg managen, van tien West-Europeanen teruggebracht tot negen Afghanen en een Europeaan. Sinds een à twee jaar is er echter sprake van een neergaande lijn. In de gebieden waar gevochten wordt, komen de medewerkers steeds moeilijker of helemaal niet meer de provincie in. ,,Als de Afghanen uit een ander district komen, moeten ze eerst het vertrouwen van de bevolking winnen.”

Wrijvingen

Intussen slagen het Nederlandse leger en de niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) er maar niet in om afspraken te maken en zitten ze elkaar vaak in de weg. Dat komt deels door ,,een gevoel van competitie”, stelde majoor Hans van der Linden van het Provinciaal Reconstructie Team, waarmee het Nederlandse leger aan opbouwwerk doet. ,,Baantjes bij ngo’s worden weggekaapt door militairen.”

Volgens Leerink is er overleg nodig tussen leger en ngo’s op de Nederlandse ambassade. Meerdere malen per maand. Op individueel niveau in de uitvoering werken militairen en hulpverleners soms wel goed samen, maar er zijn ook problemen. Verschillende hulpverleners worden liever niet met militairen gezien, omdat ze daarmee het vertrouwen van de bevolking verspelen.

Waar de hulpverlening door de gevechten in het nauw is gekomen, daar slaagt defensie er nauwelijks in een Afghaans leger en politie op poten te zetten in de ,,primitieve” provincie Uruzgan, een van de 23 subdoelen.

Op een scherm toonde kolonel buiten dienst Ruijs de vorderingen. Die waren slechts mondjesmaat waarneembaar. Zo schat defensie in voor leger en politie in Uruzgan zo’n 2400 mensen nodig te hebben. ,,En we hebben nu nog maar achthonderd. We komen mensen tekort. We hebben tot nu toe 1200 mensen opgeleid, ook dat is nog veel te weinig.” Ruijs schatte in misschien wel vijftien of twintig jaar nodig te hebben wil de missie het einddoel – Afghanistan aan een zelfstandige rechtsstaat helpen – bereiken.

De missie zorgt voor kwalijke bijeffecten, constateerde Martin Jelsma, coördinator Drugs & Democracy Programme van het Transnationaal Institute in Amsterdam. Hij haalde nieuwe cijfers van de Verenigde Naties aan: er is een historisch record van achtduizend ton opium geproduceerd. Al twintig jaar is het een trend dat de productie groeit. Volgens Jelsma is de papaverteelt voor de boerenbevolking het enige deel van de Afghaanse economie dat functioneert. ,,Eenderde tot de helft is er van afhankelijk. Naarmate mensen zich onveiliger gaan voelen, wordt de afhankelijkheid van opium groter.”

Volgens Jelsma is het beeld dat vooral de Taliban achter de exploitatie van opium zit onterecht. ,,Ook Karzai en zijn milities (de bondgenoot van de NAVO) doen aan opiumhandel. Misschien wel meer.”

Gif

Ambtenaar Messerschmidt van Buitenlandse Zaken noemde de papaverteelt ,,letterlijk een gif voor alles wat de Afghaanse overheid en wij willen bereiken”. Vandaar dat velden worden vernietigd door ze chemisch te besproeien. Volgens Jelsma is dit echter verkeerd. Alleen de kleine boer wordt er de dupe van, en niet de drugslords. Bovendien is volgens hem in Colombia al gebleken dat het vernietigen van papaverteelt op iets langere termijn geen enkel effect heeft. ,,De vraag verander je er niet mee.”

Rendement

Farshad Bashir, gemeenteraadslid van de SP en zelf als kind met zijn ouders tien jaar geleden uit Kabul gevlucht voor de Taliban en de Mujaheddin, vindt dan ook dat Nederland met de missie moet stoppen. Volgens hem levert het veel meer rendement op als de helft van de kleine vierhonderd miljoen euro die nu in de missie wordt gestoken, rechtstreeks naar de Afghaanse regering gaat.

,,De Afghaanse regering heeft dit jaar vijfhonderd miljoen euro uitgegeven aan de begroting”, schetste Bashir. ,,Dat is ongelooflijk weinig, daar win je de bevolking niet mee. Leeuwarden heeft al meer uitgegeven, in deze relatief kleine stad werken we met een jaarbegroting van zeshonderd miljoen euro. In plaats van militairen kunnen we beter ingenieurs en onderwijzers sturen.”

Bron: Friesch Dagblad, 28 september 2007