Laten we De Ruyter niet verheerlijken

Evenals andere zeventiendeeeuwse zeebonken en vechtersbazen diende admiraal Michiel de Ruyter de belangen van de Nederlandse machthebbers in de koloniale strijd. Men wilde een zo groot mogelijk deel van de gebieden en grondstoffen in Amerika, Afrika en Azië veroveren. Daarom voerde De Ruyter op zee vaak oorlog met koloniale concurrenten als Engeland en Portugal. Toch is het jaar 2007 uitgeroepen tot het ‘Michiel de Ruyter herdenkingsjaar’.

FARSHAD BASHIR
SP-gemeenteraadslid in Leeuwarden

HARRY WESTERINK
medewerker van de ‘Fabel van de illegaal’

De overheid gaf de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) begin zeventiende eeuw het monopolie op alle handel met ‘de Oost‘, met Azië. Daarmee werd de VOC de eerste multinational ter wereld en brak de zogenaamde Gouden Eeuw aan. Maar de bewoners van de gekoloniseerde gebieden gingen door een hel. Ze werden uitgebuit, beroofd, tot slaaf gemaakt, verkracht en uitgemoord.

De Ruyter is nooit in Azië geweest, maar heeft wel veel vuil werk opgeknapt voor de in 1621 opgerichte West-Indische Compagnie (WIC). Die kreeg het handelsmonopolie voor alle koloniën in ‘de West’, in Noord- en Zuid-Amerika en West-Afrika. Slavenfort Elmina in het huidige Ghana vormde jarenlang een van de belangrijkste centra van de transatlantische slavenhandel van de WIC. Met zijn militaire acties tegen de Engelsen droeg De Ruyter flink bij aan de opbouw van die handel.

Over De Ruyter kwam na zijn dood in 1676 al snel een enorme mythevorming op gang. Veel generaties zijn opgevoed met een juichverhaal over De Ruyter, een verhaal dat veel zegt over het protserige en zelfgenoegzame Nederlandse zelfbeeld. Al eeuwenlang wordt er een Hollandse volksaard geconstrueerd en op hem geprojecteerd. Hij zou bescheiden zijn geweest, zuinig, plichtsgetrouw, vaderlandslievend, godsvruchtig, en verdraagzaam, zogenaamd allemaal typisch Nederlandse eigenschappen.

En nu in het herdenkingsjaar 2007 wordt De Ruyter als een rolmodel voor alle Nederlanders neergezet. De overheid en het bedrijfsleven hemelen het Nederlandse kolonialisme en kapitalisme op. Hoewel Nederland op de Nederlandse Antillen na geen koloniën meer heeft, is het dekolonisatieproces in de hoofden van veel Nederlanders nooit echt goed op gang gekomen. Na veel moeite is pas in de 21ste eeuw een nationaal monument tegen de Nederlandse slavenhandel tot stand gekomen. Dat monument is vooral te danken aan de inspanningen van Surinaamse Nederlanders.

Het kolonialisme en vooral de transatlantische slavernij liggen ten grondslag aan het huidige racisme. De kolonisator riep racistische categorieën en hiërarchieën in het leven die – hoewel ze door de tijd heen wel zijn veranderd – helaas tot op vandaag de dag hun stempel op de samenleving drukken en tweederangs Nederlanders creëren. Zo wil de overheid ‘overlastgevende’ Antillianen in Nederland deporteren naar de Antillen. Verder zijn allerlei gemeenten bezig om een ‘speciale rassendatabank’ van Antillianen aan te leggen. En de top van de Leeuwarder politie voert een hetze tegen Antillianen door te beweren dat ze crimineler zijn dan andere Nederlanders. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog wordt zo een specifieke groep Nederlanders apart gezet.

De Nederlandse samenleving die zo doordrongen was van het kolonialisme, is nooit radicaal tegen het licht gehouden en zeker veel te weinig bekritiseerd. Hoog tijd dat dit dus wel gaat gebeuren. Het beestje moet gewoon bij z’n naam worden genoemd: genocide, plunderingen, massale ontvoeringen, dwangarbeid en verkrachtingen. En laten we nu de slavernij herdenken en niet Michiel de Ruyter verheerlijken.

Bron: Leeuwarder Courant, 10 juli 2007