‘Afghanistan heeft onderwijzers nodig’

Al weken wordt er gediscussieerd over de missie naar de Afghaanse provincie Uruzgan. Moet Nederland wel of niet deelnemen? Politici buitelen over elkaar heen en lijken soms meer bezig met woordspelletjes dan met inhoudelijke argumenten. Maar wat vinden Afghanen in Nederland er eigenlijk van?

Door Ines Jonker

Fahim Ziai, woordvoerder van de Unie van Afghaanse Verenigingen in Nederland, stelt dat de meeste Afghanen in Nederland tegen een Nederlandse missie in het zuiden van Afghanistan zijn. ,,We voelen het als onze verantwoordelijkheid om militairen en hun families te waarschuwen tegen de risico’s. De Nederlandse maatschappij kent Afghanistan niet. De politieke spelletjes die in Den Haag worden gespeeld, gaan ten koste van de militairen. Een militaire missie heeft als doel om veiligheid te bevorderen, maar Amerikanen hebben in Afghanistan enorme mensenrechtenschendingen gepleegd en veel gewone burgers gedood.’’
Ziai is bang dat het slechte imago van de Amerikanen in de regio overgaat op de Nederlanders. ,,Wij kennen de bevolking, die heel anders is dan in het Noorden. In Uruzgan wonen veel analfabeten, veel mensen hebben geen eigen mening en worden makkelijk gemanipuleerd door de Taliban. Wij zijn bang dat deze mensen de Nederlanders straks zien als verlengstuk van de Amerikanen. Als we toch gaan, moet Nederland zich sterk maken voor een goede informatievoorziening terplekke, zodat duidelijk wordt dat de Nederlandse militairen er puur voor de wederopbouw zijn.’’

Nang Arsala, voorzitter van de Algemene Coördinatieraad van Afghanen in Nederland, is wel voorstander van de missie. ,,Nederland is het vanwege zijn NAVO-lidmaatschap verplicht om mee te doen’’, zegt Nang vanuit Afghanistan, waar hij voor zijn werk is (,,het sneeuwt hier trouwens’’). ,,Bovendien zijn we het verplicht tegenover het Afghaanse volk. Afghanistan is een arm land, iedere investering is nodig. Nederlandse militairen kunnen samen met Australische en Afghaanse soldaten werken aan wederopbouw en stabiliteit in de regio.’’ Arsala erkent dat er risico’s zijn verbonden aan de missie. ,,Het zou een leugen zijn om te zeggen dat het er veilig is. Maar de gevaren worden onder meer veroorzaakt door Pakistanen die in het gebied komen. Nederlandse militairen kunnen voorkomen dat mensen uit Pakistan naar Afghanistan gaan.’’

Afghaanse tegenstanders van de missie redeneren volgens de voorzitter vooral uit eigenbelang. ,,Afghanen in Nederland die tegen zijn, zijn bang dat als de rust in het land weerkeert, ze teruggestuurd zullen worden.’’

De voorzitter heeft een duidelijke boodschap aan de Nederlandse volksvertegenwoordigers. ,,Stuur de troepen maar bereid je goed voor. Dus overleg met de NAVO, met de regeringen van Afghanistan en Pakistan en met geestelijken en stamhoofden. Bij dat laatste kan ik helpen. Ik ben hier nu twee dagen en heb al contact gehad met een paar Afghaanse ministers die bereid zijn om de Nederlanders te helpen bij dit overleg en zo de boodschap over te brengen dat Nederlandse militairen niet hetzelfde zijn als Amerikaanse.’’

Farshad Bashir, achttien jaar en kandidaat -gemeenteraadslid voor de SP in Leeuwarden, vindt dat Nederland niet moet deelnemen. ,,Sinds de Amerikanen daar bezig zijn, is er weinig verbeterd in Uruzgan. Er is alleen maar meer opstand gekomen. Ik denk niet dat er veel verandert als de Nederlanders er naartoe gaan. De Russen zijn er al geweest, en tussen 1992 en 1996 heeft het Afghaanse leger geprobeerd om orde op zaken te stellen en dat is niet gelukt. Waarom zou het de Nederlanders wel lukken?’’ Als Nederland de Afghanen echt wil helpen, moet het volgens Bashir geen militairen maar onderwijzers sturen. ,,Ze hebben daar nu te kampen met een enorme werkloosheid, dat is ook een voedingsbodem voor terrorisme. Die werkloosheid los je niet op door militairen te sturen. Er is vooral behoefte aan hoger opgeleiden zoals ingenieurs, artsen en onderwijzers; die moeten de mensen voorbereiden op de toekomst.’’

Bron: Leeuwarder Courant, 19 januari 2006